 |
De polder De Ronde Hoep maakt deel uit van Amstelland, het
gebied tussen Amsterdam, Breukelen, Aalsmeer en Muiden.
In 1525 werd door Karel V in dit gebied het hoogheemraadschap
Amstelland ingesteld. Dit hoogheemraadschap
moest het gebied vrijwaren van wateroverlast door clandestiene
waterlossingen door andere waterbeheerders, zoals het Bisdom
Utrecht en het hoogheemraadschap van Rijnland.
Dijkgraaf en hoogheemraden
Het bestuur werd gevormd door een college van dijkgraaf en
hoogheemraden. Zij hadden schouwbevoegdheid op de Ring van Amstelland, een reeks van aaneengesloten waterkeringen en
sluizen rondom het gebied. Veel later kwam daarbij ook het beheer en toezicht over
de boezemwateren, het stelsel van rivieren en kanalen, die het
water naar Zuiderzee voerden. Het hoogheemraadschap kreeg toen
ook een algemeen bestuur.
In 1991 ging Amstelland op in het hoogheemraadschap Amstel en
Vecht, nu
Amstel, Gooi en Vecht
(1997).
Hoogteligging
Het vroegere hoogheemraadschap Amstelland is een gebied met
polders en droogmakerijen (uitgegraven veenpolders). Polders in
Amstelland liggen ongeveer 2 tot 3 m onder de gemiddelde
zeespiegelstand (N.A.P.).
De droogmakerijen liggen, als gevolg van de turfwinning, nog
lager, tot zo’n
6 m onder N.A.P. Het omringende boezemwater, de
(veen)riviertjes als Amstel,
(Oude) Waver, Winkel, Bullewijk, Holendrecht, Kromme Mijdrecht,
Angstel en Gein ligt veel hoger, gemiddeld op 0,4 m onder N.A.P.
Daardoor zijn in dit gebied dijken en pompen nodig om geen natte
voeten te krijgen.
Ontginning
Die lagere ligging van het land is niet altijd zo geweest. Tot
de ontginning van de moerassen en de oerbossen (vanaf het jaar
1.000) lagen de veenriviertjes veel lager dan het land. Er waren
toen ook nog veel meer kleine veenriviertjes. Het veenland stak
als het ware als hoge kussens enkele meters boven de riviertjes
uit.
Het regenwater dat op de veenkussens viel stroomde vanzelf af
naar de veenriviertjes en vandaar via de Amstel en de Vecht naar
het Almere, de vroegere Zuiderzee. Door die open verbinding met
de zee was er ook eb en vloed op de riviertjes.
Rond de 10e eeuw werd begonnen met de ontginning van het veen-
en moerasgebied om er landbouw op te kunnen
bedrijven. Vanaf de oeverwallen langs de riviertjes werden
loodrecht op de rivier sloten en greppels gegraven om het water
uit het veen sneller te laten afstromen. De percelen land werden
smal gehouden, zodat het water snel weg kon. Bij vloed werd in
de overstroomde delen en langs de riviertjes wat klei afgezet.
Op die kleiige, en daardoor wat steviger oeverwallen werden de
boerderijen gebouwd.
Bodemdaling
Wat men niet had voorzien, was de bodemdaling als gevolg van de
ontwatering, met ruim een halve centimeter per jaar! Daardoor
bleek steeds weer verdere ontwatering nodig.
Dit onomkeerbare proces ging door totdat het waterpeil in het
veen net zo laag kwam als het hoogste waterpeil in de
riviertjes. Om toch landbouw te kunnen uitoefenen werden langs
de riviertjes dijkjes aangelegd. In die dijkjes plaatste men
houten kokers met schotten, om zo de sloten zo bij laagwater
leeg te kunnen laten lopen en instroming bij hoogwater te
verhinderen.
Zo ontstond langzamerhand het landschap wat we nu nog kennen:
het veenweidelandschap met riviertjes tussen dijkjes en
aangrenzende, lager gelegen polders.
De
dijkjes langs de veenrivieren waren oorspronkelijk smal en
stijl. Iedere boer moest met handkracht het stuk dijk
onderhouden dat grensde aan zijn land, de zogenaamde
verhoefslaging.
Op de nattere gronden veranderde de landbouw meer en meer van
akkerbouw met allerlei graangewassen in weidebouw en veeteelt.
Naarmate de bodem van de polders verder daalde werd het steeds
moeilijker de polders droog te houden.
Met de komst van de windmolen vanaf de 16e eeuw veranderde er
veel. Elke polder had minstens één windmolen, maar vaak twee tot
vier. Vanaf het midden van de 19e eeuw werden veel molens
vervangen door stoomgemalen, de industriële revolutie in het
polderland. Begin 20e eeuw deed de explosiemotor (dieselmotor)
zijn intree. Maar werden ook meer en meer gemalen voorzien van
elektromotoren.
De centrifugaalpomp deed zijn intree en verving op veel plaatsen
de vijzel. Schepraderen waren al vaak op de achtergrond geraakt,
omdat zij de verlaging van het waterpeil niet konden volgen.
Turfwinning
In de 17e eeuw, onze Gouden Eeuw, kwam er steeds meer behoefte
aan energie. Energie voor huisverwarming in de steden en voor de
industrie, vooral de lakenindustrie en de scheepsbouw.
Turf kon
die energie leveren.
Het gaf Nederland een enorm economisch
voordeel, vergelijkbaar met de aardolie van nu.
Ook in veel Amstellandse polders werd het veen afgegraven voor
de turfwinning en daarbij bleef het niet. Later baggerde men het
veen ook uit en legde dit te drogen op zogenaamde legakkers. De polders waar het veen werd uitgebaggerd
veranderden in veenplassen. Alleen de strook langs de riviertjes
werd doorgaans niet afgegraven, omdat dit veen nogal wat klei
bevatte en daardoor niet zo goed brandde. Ook waren deze
stroken, bovenlanden genoemd, nodig voor de stevigheid van de
dijken.
De meeste veenplassen zijn later, vanwege de landhonger en het
gevaar voor de omgeving, weer drooggemalen en heten nu
droogmakerijen. Voorbeelden in Amstelland zijn de Holendrechter-
en
Bullewijkerpolder, de Middelpolder onder Amstelveen, de
Bovenkerkerpolder, en de polder Groot-Mijdrecht.
Een groot aantal polders, als De Ronde Hoep, Groot
Wilnis-Vinkeveen, Oukoop, Baambrugge-Oostzijds en Westzijds en
de Waardassacker- en Holendrechterpolder is overigens nooit
uitgeveend. Het veen daar was te kleiïg. Niet-drooggemalen
veenplassen zijn de Botshol en de Vinkeveense Plassen. Uit de
laatste is in de vorige eeuw ook nog veel zand gewonnen.
Omgekeerd landschap
Het omgekeerde landschap (land lager dan het omringende water),
de diepe droogmakerijen en de lintbebouwing langs de dijkjes
zijn kenmerkend voor Amstelland. Die lage ligging maakte het kwetsbaar voor overstroming.
Gelukkig maakt ook de Diemerzeedijk, de stoere zeedijk van
Amsterdam naar Muiden die het land beschermde tegen de aanvallen
van de Zuiderzee, deel uit
van het Amstellandse landschap.
Een meer uitgebreide beschrijving van de ontstaans-geschiedenis
van Amstelland vindt u in de documenten
die door Adriaan Haartsen voor het hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht zijn
opgesteld. Klik daarvoor door op “Landschapstype: Veen”, “Rivieren
van Amstelland” en "Kaden van Amstelland".
Een prachtig sfeer- en kijkboek over Amstelland, zijn
ontstaansgeschiedenis en zijn bewoner is
”Amstelland, land van
water en veen” van Adriaan Haartsen en Nikki Brandt ( Uitgeverij
Matrijs te Utrecht, ISBN 90 5345260)

|
|
 |